ARTIKEL · Europees recht
Juristen willen zelfidentificatie als grondrecht over de grens afdwingen
Een nieuw artikel in een gezaghapend Italiaans vaktijdschrift voor internationaal privaatrecht vergelijkt zelfidentificatie van gender met de erkenning van een buitenlands adoptiebesluit — en pleit zo voor automatische EU-brede erkenning. De vergelijking verdient een kritische lezing.
Op 4 september 2026 kondigde de vakblog EAPIL (European Association of Private International Law) de publicatie aan van een artikel van rechtsgeleerde Cristina Campiglio in de Rivista di diritto internazionale privato e processuale (RDIPP), getiteld "Il volto «umano» del diritto internazionale privato: la disciplina dell'autodeterminazione di genere" — vrij vertaald: "Het menselijke gezicht van het internationaal privaatrecht: de regeling van genderzelfidentificatie". De kern van het betoog: lidstaten die wetgeving voor zelfidentificatie hebben ingevoerd, geven daarmee uitvoering aan een grondrecht dat volgens de auteur over de grens moet worden erkend, net zoals een in het buitenland uitgesproken adoptie wordt erkend.
Wat het artikel precies beweert
Het artikel bouwt voort op de zaak Wagner t. Luxemburg (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 2007), waarin Luxemburg werd veroordeeld omdat het weigerde een Peruaanse adoptie-uitspraak te erkennen. Het Hof oordeelde toen dat de weigering het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM) schond. Campiglio trekt die redenering door naar een heel ander terrein: sinds 2018 beroept het Hof van Justitie van de EU zich op het Handvest van de Grondrechten om de "continuïteit van in het buitenland rechtmatig verkregen staten" te waarborgen — en volgens het artikel moet diezelfde logica gelden voor een wijziging van geregistreerd geslacht op basis van zelfidentificatie. Lidstaten die zelfidentificatie toestaan, zouden met andere woorden een positie creëren die andere lidstaten verplicht zijn te erkennen, ook als hun eigen wetgeving een medische of juridische toets vereist.
De vergelijking met een adoptiebesluit gaat mank
Dat klinkt juridisch-technisch, maar de vergelijking zelf is het probleem. Een buitenlandse adoptie-uitspraak is het resultaat van een rechterlijke toetsing: een rechter heeft getoetst of de adoptie in het belang van het kind is, wie de betrokkenen zijn en of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Zelfidentificatie kent zo'n toetsing per definitie niet — dat is precies het kenmerk waarmee zelfidentificatiewetgeving zich onderscheidt van het oudere model met psychologische of medische beoordeling. Door een ongetoetste, eenzijdige verklaring juridisch gelijk te stellen aan een door een rechter gecontroleerde status, verdwijnt het onderscheid tussen "een feit dat extern is vastgesteld" en "een feit dat iemand over zichzelf beweert". Dat onderscheid is niet een technisch detail; het is precies waarom landen als Zweden en Finland hun beleid de afgelopen jaren hebben aangescherpt in plaats van versoepeld.
Wat er op het spel staat voor nationale waarborgen
Als de redenering van het artikel navolging krijgt in rechtspraak of beleid, verliest een lidstaat met een zorgvuldiger systeem — bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, een wachttijd of een medische verklaring — feitelijk de mogelijkheid om die waarborgen te laten gelden voor wie zijn registratie in een ander land al via zelfidentificatie heeft gewijzigd. Dat mechanisme speelde al een rol in de zaak Mirin/Shipova voor het EU-Hof, waarover wij eerder schreven: het Hof verplichtte lidstaten daar al tot erkenning van een in het buitenland gewijzigde geslachtsregistratie bij vrij verkeer. Campiglio's artikel voegt daar een theoretisch fundament aan toe dat die uitkomst normaliseert: niet als een smalle uitzondering voor vrij verkeer, maar als een algemeen grondrecht naar het voorbeeld van het EVRM. Een overzicht van de onderliggende EVRM-rechtspraak staat in ons dossier over het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Bron versus duiding
Het is belangrijk hier scherp te onderscheiden wat het artikel zelf claimt en wat onze analyse daarvan is. Campiglio beschrijft een juridische ontwikkeling en bepleit een bepaalde lezing van grondrechtenjurisprudentie; ze doet geen uitspraak over de medische of psychologische onderbouwing van zelfidentificatie als zodanig. Onze kritiek richt zich op de analogie die in het artikel wordt gebruikt — niet op de persoon van de auteur, en niet op transgender personen die in de praktijk met deze regelgeving te maken krijgen.
Conclusie
Een vakpublicatie in een gerenommeerd tijdschrift voor internationaal privaatrecht geeft zelfidentificatie een academische status die het in het publieke debat vaak mist: die van een "grondrecht" dat net als een gezinsstatus over de grens moet worden gerespecteerd. Wie de analogie met een getoetst adoptiebesluit serieus neemt, ziet echter dat die vergelijking de kern van het probleem overslaat: de ene status is extern getoetst, de andere niet. Zolang dat verschil onbesproken blijft, is elk pleidooi voor automatische grensoverschrijdende erkenning in wezen een pleidooi om nationale waarborgen buiten werking te stellen zonder dat daarover een democratisch debat heeft plaatsgevonden.
Bronnen
EAPIL (European Association of Private International Law), aankondiging van Cristina Campiglio, "Il volto «umano» del diritto internazionale privato: la disciplina dell'autodeterminazione di genere", in: Rivista di diritto internazionale privato e processuale, nr. 2/2026, gepubliceerd 4 september 2026: eapil.org.

Saskia Weijermars
Redactie
Veelgestelde vragen
BRON
Zelfidentificatie.nl